Tweede Loonse successiestrijd en inlijving bij Luik - uit: Het graafschap Loon (11de-14de eeuw) (1969)

Description

pp. 148-150

II DE TWEEDE LOONSE SUCCESSIE-OORLOG EN DE INLIJVING BIJ LUIK (1361-1362)

§ 1 Godfried van Dalenbroek's poging mislukt (1361-1362)

Bij het overlijden van Diederik van Heinsberg in het begin van 1361 vroeg zijn neef Godfried van Dalenbroek niet meer dan de beloften na te komen, die hij in 1346 onder ede had afgelegd als mogelijke erfgenaam, nl. dat hij nooit een bondgenootschap zou sluiten tegen de Luikse kerk. Engelbert van der Marck ontnam hem de gelegenheid om zijn eed te vernieuwen. Hij voerde sedert 5 april 1361 zelf de titel van graaf van Loon. Op die datum proclameerde het kapittel de inlijving van het graafschap. Als argument voerde hij het reglement van 1346 aan. Alhoewel hijzelf er een uitzondering op had gemaakt door Diederik van Heinsberg de opvolging van Lodewijk IV te verzekeren. Thans beloofde hij aan de kanunniken het graafschap niet meer in leen te geven. De keizer stelde de aartsbisschop van Keulen aan om, na de beide partijen - de Luikse kerk en de pretendent - aan het woord te hebben gelaten, een beslissing te treffen in het geschil.

De Luikenaren, wijs geworden door een eerste nederlaag tijdens de successie-oorlog tegen Diederik van Heinsberg, wachtten echter het resultaat niet af. Er viel trouwens niet te dralen. Toeslaan moest men op het ogenblik, dat Brabant niet in staat was enige hulp te bieden. De hertog had immers de handen vol met binnenlandse moeilijkheden. De Luikse troepen overrompelden het graafschap. Toen de versterking van Stokkem was ingenomen, liet Godfried alle hoop varen en verkocht hij zijn rechten aan Arnold van Rummen.

§ 2 Arnold van Rummen, laatste pretendent (1362-1366)

Arnold van Rummen was een neef van Lodewijk IV langs moederszijde. In 1336 was Diederik van Heinsberg echter boven hem verkozen. Nu het huis van Heinsberg verloor, stelde hij zich kandidaat, ofschoon hij krachtens de akte van 1346 geen rechten had. Waarschijnlijk hoopte hij het graafschap te kunnen veroveren, omdat hij door zijn huwelijk met een natuurlijke dochter van de graaf van Vlaanderen onbemiddeld was. Wellicht rekende hij in zijn hoedanigheid van de raadsheer van de hertog van Brabant ook op de steun van deze laatste en van de broeder van Wenceslas, keizer Karel IV.

Het is een onbetwistbaar feit, dat Arnold aan de zijde van Karel IV meer steun kreeg dan van Godfried van Dalenbroek, al zette dat dan niet meer zoden aan de dijk dan dat hij met rijkslenen werd beleend en dat de bisschop een vermaning kreeg om zich in 's keizers aanwezigheid te verantwoorden. De keizer maakte echter aan de oevers van de Maas geen indruk. Zonder militaire hulp van buiten kon de kandidaat geen bezit nemen van het graafschap, dat de keizer hem persoonlijk in 1363 in leen gaf, aangezien de bisschop in gebreke bleef. Arnold kon zich niet doen gehoorzamen, zelfs niet door de schepenen van de twee meest belangrijke Loonse tribunalen, die weigerden hem te erkennen. Alleen Hasselt scheen hem te steunen. In het buitenland liep het al evenmin goed af; de hertogen van Lotharingen, aangespoord door Karel IV om hulp te bieden aan de pretendent, bleven passief. Johanna van Brabant accepteerde zelfs de verheffing van de lenen, die van Brabant afhingen door Engelbert van der Marck als graaf van Loon. Haar man, Wenceslas, verloor intussen de belangen van het huis van Luxemburg niet uit het oog en kocht van Arnold van Rummen het nog overblijvende stuk van het graafschap Chiny. In het begin van 1364 was Arnold dus geen graaf van Chiny meer, ofschoon dit gebied hem niet werd betwist. Hij ruilde het zekere voor het onzekere "pour ... tres grant necessiteit". 

Ten slotte viel ook de keizer weg als mogelijke steun - al was die dan louter moreel geweest. Karel IV verzocht op 15 januari 1365 de pretendent om niets meer te ondernemen tegen de bisschop van Luik, vooraleer het rijksleenhof uitspraak had gedaan. Engelbert's diplomatie had goed gewerkt.

Negen maanden hield Arnold nog stand tegen het bisschoppelijke leger. Zijn kasteel te Rummen werd verwoest, zodat hij op 21 september 1366 van het graafschap Loon afstand deed. Hij kreeg echter een geldelijke vergoeding van de bisschop. Hiermee verdween het graafschap Loon van de Lotharingsche politieke kaart. Het prinsbisdom kreeg zijn definitieve omvang.

Recent toegevoegd

Auteur: Tom Kenis Geparafraseerde Radio 2-getuigenis van militair William De Wilde en zijn echtgenote...
Auteur: Tom Kenis De familie Trippas verbleef in Belgisch Congo van 1954 tot en met de onafhankelijkheid...
Auteur: Tom Kenis Antoinette Fransen, de moeder van Moelly Henno, werd tijdens Wereldoorlog II...
Zoveel Hasselaren, zoveel linken met Congo. Om de meest uiteenlopende redenen trokken Hasselaren al...
Auteur: Tom Kenis Joseph (°Hasselt 04.07.1926) en Denise (°Hasselt 22.01.1927) leerden elkaar kennen als...
Auteur: Tom Kenis André Billen, geboren in 1927, studeerde economie. Hij slaagde voor het diplomatiek...
Auteur: Tom Kenis De in Hamont geboren Joseph (Jef) Verlaak, thans inwoner van Viversel maar gedurende...
Auteur: Toon Blux Hermanus, Petrus, Joseph Blux is de oudste zoon van Louis Bleux (1) uit Kuringen en...
Auteur: Tom Kenis Edgard Jamart werd geboren in een gehucht tussen Bergen en Luik, maar woont al 40 jaar...
Auteur: Hubert Bovens Marcellin Lagarde werd geboren te Sougné, Sprimont in de provincie Luik op 2...