Lakenhalle - Huis Moray (Grote Markt 29 - Koning Albertstraat 1) - uit: Hasselt intra muros (1989)

Description

pp. 37-40

Een enkele hoogbejaarde Hasselaar kent dit pand allicht beter als de Grand Café. Het is ons niet bekend welk huis er voor zeshonderd jaar heeft gestaan, omdat het stadsarchief noch de gichtregisters zover in het verleden opklimmen.

Ongeveer een flinke vijf eeuwen geleden bouwden de lakenwevers, met de geldelijke steun van de stad, ter plekke hun Lakenhalle. Die verving de bouwvallige en te weinig ruimte biedende Alde Halle en De Broodhalle, die beide vroeger aan de Hoogstraat stonden. Het gebouw zou tevens dienst doen als brood- en vleeshuis. Aan de financiële steun van het stadsbestuur was de voorwaarde verbonden dat een van de benedenvertrekken gebruikt mocht worden als raadhuis (46) en een andere kamer mocht dienen tot vergaderlokaal van de zeven schepenen. Ook de parochiekerk beschikte er over enkele kamers en diende in ruil hiervoor het dak te onderhouden. Hierover lezen wij in het register van de kerkfabriek volgende belangrijke notitie: Staet te noteren dat die kercke 2 vleesbancken heeft beneden in die Halle teghen den Spiegel, en noch 2 teghen die Nieuwstraet ende zyn verhuert geweest 156 gulden hessels, ende hebben noch 9 plaetsen boven op die Halle, maer die kercke moet het dack onderhouden.

Met het oog op die officiële functies werd aan De Lakenhalle zoveel mogelijk uitzicht gegeven van een openbaar gebouw gegeven. In een sierlijk torentje dat zich boven het dak verhief, werd een uurwerk met klokslag geplaatst, te onderhouden op stadskosten. Verder prijkte er een groete lewe boven die gevel, een herteken dat totter kaecken geordineert was, beide met olieverf aeff te setten, een Maria beelteken buyten op den hoick van den raethuys, een L.V. bilt opt raedthuys te overgulden (1528-1529). Tegen de gevel was een zonnewijzer aangebracht.

Op de benedenverdieping, langs de Markt tot aan de laatste toegangsdeur van de Nieuwstraat, bevonden zich de broodbanken. Tegenover Het Spiegelken en Het Leerske en in de diepte van de zaal tot aan voormelde deur was het vlees uitgestald. De lakenhalle bevond zich op de verdieping.

De banken van het vlees- en broodhuis werden jaarlijks bij openbare veiling verhuurd tegen 36, 37 en 38 gulden per bank, hetgeen de stad een goede stuiver winst opleverde.
(...)
In de tweede helft van de 16de eeuw hadden de aanhangers van de nieuwe leer van het protestantisme te Hasselt de hand in zoveel onlusten en geweldplegingen, dat prins-bisschop Gerard van Groesbeek in 1567 geen andere uitweg zag dan de tien voornaamste Loonse steden met geweld in te nemen. Bij de beschieting van de stad over het plat geschoten Begijnhof aan de Luikerpoort heen leed De Lakenhalle zoveel schade dat het stadsbestuur zich genoodzaakt zag naar een nieuw raadhuis en een nieuwe schepenzaal uit te kijken.
(...)
Mantelius, de geschiedschrijver bij uitstek van zijn geboortestad, die van nature meer tot schertsen en opsnijden dan tot klagen en weemoed gestemd is, heft na de dood van Jan Bisschoppen (nvdr: vermogend lakenfabrikant) in zijn Hasseletum niettemin de klaagtoon aan: Hoe menigmaal heb ik 's dinsdags (marktdag!) laken zien verkoopen op het eerste verdiep! Thans is alles ledig en eenzaam. Niet lang geleden was onder de vleeschhalle, maar de slachters hebben die ook verlaten, daar zij het vleesch in hunne woningen verkoopen. Hij zegt verder dat de stad het lakenpakhuis te Antwerpen verkocht en de opbrengst van deze verkoop besteedde aan het bouwen van de Mariathoren, de sterke Slicksteen of Hellus lapidum.

De raadsheren en de zeven schepenen trokken ook naar een geschikter lokaal. Enkele meters verder in de westelijke richting aan de Verckensmerct der Joedenstraet, bevond zich het druk bezocht gasthof Die Crone, uiterlijk een fraai gebouw. De stad kocht de woning van de erven van Eustachius Screvens. Na veel onkosten voor de gevelversiering en de meubilering kreeg het gebouw vanaf 1580 zijn nieuwe bestemming. Dat zou twee eeuwen zo blijven.

De Lakenhalle werd op 12 maart 1670 ten dele afgebroken. Met de wederopbouw werd meteen begonnen. De ambachten (of liever: de zes chambres) waren het evenwel over de bestemming van het nieuwe gebouw lang niet eens. De meerderheid wilde er een handelshuis van maken, anderen zagen er liever een markthal in ondergebracht voor de dagen dat de weersomstandigheden minder gunstig zouden zijn. Nog anderen spraken zich uit voor een logementshuis voor troepen op doortocht, voor een schouwburg voor de Rhetorica en de studenten van het Sint-Quintinuscollege, voor een versterkt kasteel, een hospitaal, een begijnhof, een klokketoren, ja zelfs voor een zwakzinnigengesticht! Op 20 juli 1670 was het gebouw op stadskosten in orde gebracht; de stadsmagistraat behield zich het recht voor om desnoods een groot vertrek op de benedenverdieping als raadhuis te gebruiken, wat evenwel nooit is gebeurd. Op 30 juni 1674 werd voor 250 gulden een brede eiken deur in de voorgevel aangebracht. Voor de deurkloppers, twee zware koperen ringen, werd 10 gulden betaald. Het schilderen van de stadswapens op de deur kostte 6 gulden. In 1675 hing men in het torentje van de hal de klok van de Sint-Corneliuskapel. Dat torentje en een deel van het dak werden in 1806 afgebroken. In de tussentijd vervulde de klok een nuttige openbare taak. Zo lezen wij in een ordonnantie van 4 nivôse IV (25 december 1795) dat de Gay, waarnemend commissaris, het stadsbestuur verplichtte van kwart voor tien tot tien uur 's avonds de klok te luiden, teneinde de herbergiers aan te manen dat zij geen drank meer mochten schenken, dit ter voorkoming van nachtelijke ongeregeldheden in de stad.

Bij de aanvang van het laatste kwartaal van de 17de eeuw was de hal weer netjes opgeknapt, maar haar bloeijaren waren voorbij. Het bouwwerk miste met name in dak en muren de nodige stevigheid, die van een officieel gebouw mocht worden verwacht. Van 1675 af deed zij dienst als protestants bedehuis voor het Hollands garnizoen, dat uit twee regimenten voetvolk en een regiment ruiterij bestond. De overleden soldaten werden onder de vloer van het benedenvertrek begraven; ook twee joden die in een twist om diefstal en oneerlijke praktijken waren gedood, en een koorddanser, die in de Joedenstraet van een gespannen koord was neergestort, lagen er begraven. Bij het uitschieten van de kelders in 1847 en 1861 werden verscheidene beenderen bovengehaald.

Op 19 februari 1767 verhuurde de stad voor 8 gulden een kamer op de benedenverdieping, met toegang langs de laatste deur aan de Nieuwstraat, aan Laurens Ponsart, ontvanger van het bisdom. De aangrenzende kamer werd eveneens voor 8 gulden aan Bartholomeus Bovie verhuurd. De Sociëteit vestigde haar lokaal op de verdieping in 1786. In 1788 plunderden de Luikse patriotten het lokaal, vernielden het biljart en roofden de kelders leeg. In 1792 was Johannes Cordens waard van de herberg; van deze laatste huurde Gillis Millen de herberg in 1796 voor 600 gulden. In november 1795 richtte de municipale raad er de Vrijheidszaal in, die voor de viering van de republikeinse feesten werd gebruikt. Op 19 juli 1796 verzochten enkele burgers van de stad om de biljartzaal in bruikleen te mogen afstaan aan een maatschappij die tot doel had de republikeinse geest aan te moedigen, wat vijf dagen later door de municipale raad bereidwillig werd toegestaan.

Op 8 messidor VI (26 juni 1798) stelde de municipale raad wegens geldnood De Sociëteit te koop, met het beding dat de grote zaal en twee kleine vertrekken voor de stedelijke overheid werden gereserveerd. Ook de Ste-Cecilia (achter de Grote Kerk), op twee bovenkamers na, de Rhetorica (nvdr: in de Lombaardstraat), De Voetboge Camer aan de Grote Markt, het huis aan de Lombaardstraat bewoond door Daniël Bamps, de paardestal die achter het pand gelegen was, en het buurhuis waarin Gaspar Jordens woonde, werden alle verkocht. In de gereserveerde grote kamer van De Sociëteit vergaderden in de Franse tijd de kiezers van de tweede sectie, onder de zinspreuk L'amour fraternel. De overige kiesgerechtigden brachten hun stem uit in de refter van de augustijnen, onder het motto L'union fait la force. Op 4 december 1798 sloten de Boeren er hun Franse gevangen op; 's anderendaags brachten de Sansculotten er Constant van Roux-Miroir, de leider van de Waalse boeren, en enkele 'jongens' binnen, die aan Het Lindeke samen een nederlaag hadden geleden. Verscheidene Boeren bezweken er aan de opgelopen verwondingen; de overigen werden naar Parijs gestuurd en stierven onder de guillotine.

In juni 1800 nam de Sociëteit weer bezit van het gehuurde lokaal, maar op 17 augustus werd het gebouw, met de Ste-Cecilia en de stadschuur aan de Isabellastraat, voor 8330 gulden opnieuw verkocht.

In 1847 en 1861 werden door La Société Littéraire aan het gebouw restauratiewerken uitgevoerd. Daarmee verkreeg het zijn huidig aanzicht. De architect en ontwerper van het plan was waarschijnlijk Jan Vossen van Luik. Met zekerheid kan dit evenwel niet worden gezegd. Wel had deze reeds op 3 januari 1787 aan de stadsmagistraat een plan bezorgd, waarvoor hij zijn honorarium eiste.

Tijdens de eerste decennia van de 20ste eeuw spraken de stedelingen van de Grand Café en van de Littéraire; de bewoners van de gehuchten gebruikten de traditionele benaming in de sociëteit. Op kermisdinsdag en op de tweede zondag van Hasselt-kermis lieten de jongeren van beider kunne nooit na even binnen te wippen in dit drankhuis; zonder dat cafébezoek zou de kermispret onvolledig zijn geweest.

Van de oude lakenhalle bleef slechts een enkel gebrandschilderd raam bewaard in de vroegere collectie van wijlen Dr. Constant Bamps. De pastelschilder Paul Bamps maakte er een kopie van, die in het archief van de Société Littéraire wordt bewaard.

Als curiosum vermelden we nog een anekdote, die in het register van de bouwmeesters van 1495 is terug te vinden. Daar staat een stadsuitgave ingeschreven van anderhalve stuiver voor het wegnemen van een ooievaarsnest op het dak van de Lakenhalle door Johan Bernaert met syn cnaep. Het stadsbestuur herinnerde zich ongetwijfeld de brand als gevolge van blikseminslag in een ooievaarsnest op de abdij van Sint-Truiden, waardoor een groot deel van dat gebouw werd vernield. De magistraten traden wel vaker als beschermers van vogels en nuttige dieren op. Zo werd op 8 april 1766 een ordonnantie uitgevaardigd, waarbij het verboden werd de ooievaars, die op de schuur van de stadshalle woonden 'ende andere niet te schieten, stooren, quetsen, werpen of ander hinder hoedanigh den selve mocht wesen, en te dien ende ontrent den merckt, Halle en nuwstraete met geene snaphaen te schieten op amende van 10 goudg. of wetter en brood te setten, ende ouders of meesters syn responsabel voor hunne kinders of dienstboden'. De stadregeling van die tijd verbood eveneens het vangen en uithalen van de nachtegalen. Ongeveer een eeuw later werd in De Onafhankelyke scherpe kritiek geuit aan het adres van de politiecommissaris van de stad, die een nachtegaal in een kooitje gevangen hield. In het stadsarchief (nvdr: nu in het Rijksarchief) berusten nog andere stukken en statistieken over het doden van mussen en het verlenen van premies: in 1779 werden te Hasselt 1905 mussen gedood, waarvoor bouwmeester Goetsbloets premies uitbetaalde ten belope van 1114 gulden 15 stuiver.


(46) Het afschrift van een stuk uit het begin van de 16de eeuw levert het bewijs dat onze raadsheren in de Lakenhalle over enkele vertrekken beschikten. Zij hadden er een zaal, een zaelet, een keuken, een kamer en een kelder. In de zaal werden, behalve de brandemmers en enkele onbeduidende zaken, de wapens van de kamers bewaard, meer bepaald 27 spiesschen, 14 roers, 61 slaechswerden, 5 helbaerden, 56 dobbel haecken, 4 sturmhamels en enkele vierpannen. In de zaelet bevonden zich naast een groene tafel, met 2 banken en 5 seten, 5 tutelkannen, een hertshoeren met vijff luchteren en noch eenen luchter voor de schouwe. In de gelijkvloerse kamer stonden 2 bedsteden en in de kelder anderhalve ton wiecken en een lege ton.

Recent toegevoegd

Van 2014 tot eind 2018 was Steven Vandeput minister van Defensie en Ambtenarenzaken in de federale...
Auteur: Mieke Strauven Grauwzuster Gertrudis van Schaffelen kwam in 1626 aan in Hasselt, met als doel...

Prinsbisdom Luik, 1659

Gebrandschilderd glas. Hasselt, Het Stadsmus, inv. nrs. 2014.0370 tot en met 2014.0377.

Maria-Helena Hubrechts was de zus van E.H. Jozef Hubrechts . Ze overleed samen met hem in de nacht van...
Eerwaarde Heer Jozef Hubrechts was pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek. Hij overleed samen met zijn...
Emiel Baptist werd geboren in 1895 in Godsheide als zoon van dienstknecht Andreas (Zonhoven 1847-Hasselt...
Auteur: Marc Jacobs Zie tekstpagina voor de uitgebreide beschrijving. Louis Berten werd geboren op 30...
1795-1824 : Etienne-François de Stenbier 1825-1867 : Charles-Philippe de Cecil 1868-1869 : Conrardus...
1830-1836 : Vandenborn, Hubert 1836-1864 : Stas, Paul 1865-1877 : Berden, Guillaume 1878-1884 : de Grady...
1830-1861 Gaspard Vandereijcken (Schulen 1798-?), brouwer-eigenaar 1861-1866 Pierre Jean Adons (Stevoort...