De Tiendaagse Veldtocht / Slag bij Kermt in 1831 - uit: Kunst in de Kijker - 41 (1994)

Description

Strijdtoneel uit de Tiendaagse Veldtocht - Kermt, 7 augustus 1831

A. von Geusau, gesigneerd; gedateerd 1835;

aquarel;

25,5 x 38 cm;

inv.nr. 1985.0004.00

(*) de aquarel werd gestolen uit het museum

De aquarel van von Geusau uit 1835 toont een fase uit de Tiendaagse Veldtocht, nl. de enige overwinning, die de Belgische troepen op de binnenvallende Nederlanders behaalden. Het gevecht had plaats in een gemeente even ten noorden van Hasselt, Kermt.

Von Geusau, die ons verder volledig onbekend is, maakte de aquarel vier jaar na de feiten en heeft er - naar de sfeer uit die tijd - een heroïsch gevecht van gemaakt. Diverse tekenaars en etsers (Madou, Simonau e.a.) hebben kort na de Belgische onafhankelijkheid en de Tiendaagse Veldtocht allerlei tekeningen gemaakt over de gevechten in Brussel tijdens de septemberdagen, de gevechten in Helchteren, Houthalen, Kermt, Leuven, Tienen. Een aantal aquarellen werden ook als etsen of litho's "herdrukt" en op iet of wat brede schaal verspreid, vermoedelijk ten behoeve van diegenen, die de gevechten meemaakten en er een herinnering aan wilden bewaren.

Vooraleer het te hebben over de slag bij Kermt, dienen een paar woorden gezegd te worden over dat Belgisch leger in 1831 en zijn bewapening.

Tot aan de revolutie van 1830 was er uiteraard geen "Belgisch" leger. In het leger van het Verenigd Koninkrijk dienden wel vele Belgen als soldaten maar het officierenkader telde, omwille van de discriminerende Nederlandse politiek - en niet alleen op taalvlak - zeer weinig officieren afkomstig uit het huidige België: in 1830 amper 400 op een totaal van zowat 2.400 officieren. Het was dus duidelijk dat een der prioriteiten van het Voorlopig Bewind erin bestond een leger uit de grond te stampen.

Op papier bestond het leger aan de vooravond van de Tiendaagse Veldtocht uit 50.000 infanteristen en 3 à 4.000 cavaleristen. Hierbij diende nog de Burgerwacht geteld te worden. Te velde echter weken deze cijfers dramatisch af van de werkelijkheid: met de beste wil ter wereld komt men met moeite aan 28.000 infanteristen en een kleine 2.000 cavaleristen. Het kader was daarenboven ontoereikend en niet op zijn taak berekend. Volgens "Le Moniteur" van 25 december 1830 telde het leger 2.766 officieren, hiervan kwamen er:
- 422 uit het voormalige leger van het Verenigd Koninkrijk (zowel officieren die nog actief waren als officieren die om een of andere reden dat leger voordien al hadden verlaten)
- 21 Belgische officieren die in vreemde (niet-Hollandse) dienst waren
- 1.088 officieren van vrijwilligerskorpsen uit de septemberdagen van 1830, maar die voordien nooit dienst gedaan hadden
- 1.107 voormalige onderofficieren uit het leger van het Verenigde Koninkrijk, die nu als officier in dienst kwamen
- 128 buitenlandse militairen of oud-officieren en oud-onderofficieren van het Napoleontisch leger.

Afgaande op die cijfers is het duidelijk dat het Belgisch leger niet kon rekenen op een voldoende aantal officieren met ervaring.

Naast het probleem van de kaders, was er dat van de bewapening en vooral van geweren. Soldaten die uit het Nederlandse leger overliepen hadden niet allen hun wapens meegebracht, en zoals dikwijls in tijden van onlusten werden veel wapens verborgen. Een aantal gewapende vrijwilligers uit de revolutiedagen, vervoegden nadien het leger niet en samen met hen verdwenen ook de wapens. In de laatste jaren van het Verenigd Koninkrijk was de overheid begonnen met de wapens uit de garnizoen van de zuidelijke provincies naar het - meer betrouwbare - noorden over te brengen. Op 27 december 1830 besloot de Voorlopige Regering de oorlogswapens op te kopen, die in handen van particulieren waren. Aanvankelijk lag de prijs nogal hoog, maar dat duurde slechts enkele dagen en gold alleen voor Brussel. Het bedrag dat de regering wenste uit te geven, daalde pijlsnel: tot 5 gulden (10,58 fr.) voor een oorlogsgeweer, amper 1/3 van de effectieve waarde. Het is dus niet verwonderlijk dat aan de vraag weinig of geen gevolg werd gegeven.

Daarnaast werd in het buitenland, en in de eerste plaats in Engeland aangekocht. De wapens waren er echter duur (tot 37 fr. per stuk) en niet altijd van de beste kwaliteit. Het Voorlopig Bewind echter was nogal kritisch: het hoog aantal geweigerde geweren en opgezegde contracten bewijst het. Tenslotte plaatste men bestellingen in het Luikse. Op 23 oktober 1830 werd een eerste contract afgesloten voor 4.500 dragondergeweren tegen de prijs van 28 fr./stuk. Jaren later, toen de overheid in 1836 aanvoerde dat de catastrofe van de Tiendaagse Veldtocht ook veroorzaakt werd door de slechte en onvoldoende aanvoer vanuit het Luikse, protesteerden de Luikse wapenhandelaars zeer hard en toonden duidelijk aan dat tussen september 1830 en juli 1831 er zowat gemiddeld 9.000 geweren per maand geproduceerd werden. Bijgevolg moest de staat aan de vooravond van de Nederlandse inval toch over zowat 150.000 geweren beschikt hebben. Dat ze niet altijd goed verdeeld waren moet in de eerste plaats teruggebracht worden op de chaotische situatie onmiddellijk na de revolutie en de even chaotische organisatie van het militair apparaat.

De gebruikte geweren waren voorladers, m.a.w. zij werden langs de loop geladen, waarbij het kruit tot ontploffing werd gebracht door de gensters van een vuursteen, die op een metalen plaat geketst werd. Veel meer dan von Geusau toont, veroorzaakte het afschieten van slechts enkele dergelijke geweren een enorme wolk, die vriend en vijand een tijdje het zicht benam. Tevens was het ook een vuil gedoe en dat verklaart waarom officieren handschoenen droegen en vooral waarom men ze uitdeed bij het geven van een handdruk.

Wanneer na de septemberdagen van 1830 België onafhankelijk werd, was dat in de eerste plaats zelf een verrassing voor diegenen die de opstand gestart waren. Met deze revolte wilde men in de eerste plaats hervormingen van de koning afdwingen en een grotere inbreng van de "Belgische" provincies in het politiek bestuur van het land en het economisch leven. Dat men niet onmiddellijk aan een scheuring dacht, mag blijken uit de eerste versie van de Brabançonne, waarin men hoopt dat de Nederlandse "oranje" nog aan de vrijheidsboom mag prijken en uit het straatwijsje: "Wij willen Willem weg, wil Willem wijzer wezen, wij willen Willem weer". Maar de onhandige en twijfelende houding van koning Willem deed de zaak steeds meer uit handen lopen en het zenden van troepen onder de leiding van de kroonprins was het keerpunt.

De Belgische onafhankelijkheid kon slechts effectief zijn, zo er een officiële bekrachtiging kwam van de grote mogendheden. De conferentie van Londen van 1831 erkende de Belgische onafhankelijkheid en regelde de verhoudingen tussen België en Nederland volgens het "Traktaat der XVIII artikelen". De Belgische delegatie ondertekende op 26 juni het protocol. Dezelfde avond nog aanvaardde prins Leopold van Saksen-Coburg-Gotha de Belgische kroon. De Nederlandse koning weigerde echter.

Op 2 augustus 1831, op het ogenblik dat koning Leopold I op inspectiereis was in het Luikse, overschrijden de Nederlandse troepen de grens met België. Leopold zet zich aan het hoofd van de Belgische troepen en schept hiermee een precedent dat in de latere Belgische geschiedenis van groot belang zal zijn: wie beveelt het leger? De koning? De minister? De Generale Staf?

Het Nederlands leger is numeriek het Belgische veruit de baas. Meer dan 100.000 soldaten, daarnaast de garnizoenen van de citadel van Antwerpen, Maastricht, Zeeland en dan nog een sterke vloot die op de Schelde opereert. Het Belgisch leger, dat verdeeld is een "Armée de l'Escaut" en "Armée de la Meuse et du Luxembourg" ligt aan de grens verspreid. Het Maasleger, o.l.v. generaal Daine, heeft o.a. als opdracht Venlo en Roermond te houden en te zorgen dat het Nederlands garnizoen van Maastricht ter plaatse blijft. Op 3 augustus geeft de Belgische minister van Oorlog, de Failly, zelf opdracht niets te ondernemen tegen de invaller "om elke vijandelijke daad te vermijden"! 's Anderendaags laat hij zelfs controleren of dit bevel uitgevoerd wordt.

De 5e augustus nemen de Nederlanders Diest in, rukken met een legermacht van 9.000 man, aangevuld met cavalerie en artillerie, naar Tessenderlo op, maar kunnen het niet innemen. Wel valt Beringen in hun handen. Generaal Daine wordt in Riemst aangevallen, moet aanvankelijk terugtrekken maar dankzij de komst van troepen uit Tongeren worden de Nederlanders teruggedreven naar Maastricht. De 3e Hollandse divisie van Meyer bezet anderzijds op 5 augustus Beringen, Beverlo, Koersel, Paal en omgeving.

Tegenover die bedreiging posteert Daine zijn troepen in de omgeving van Winterslag, op een plateau dat slechts vanuit één richting bereikbaar was. Nadeel van de positie was dat ook geen verbinding tot stand kon komen met het Scheldeleger. Daar verneemt Daine dat een tweede Nederlands korps via Lommel is doorgedrongen en het Belgisch garnizoen van Hechtel verdreven heeft. De Nederlandse opmars wordt in Helchteren vertraagd en het korps van Hechtel dat steun gekregen heeft van 1e Belgische Jagers trekt al vechtend achteruit tot in Houthalen, waar zij zich verschuilen in de huizen, hetgeen de Nederlanders - die in een straatgevecht hun meerderheid niet kunnen ontplooien - ervan weerhoudt de stad aan te vallen. Daine geeft hen opdracht om 's nachts op Zonhoven terug te trekken.

In een gutsende regen en in de modder slagen de Belgische troepen erin hun posities na harde gevechten te behouden. Het Belgisch opperbevel echter geeft Daine de avond van 6 augustus opdracht Winterslag te verlaten en op te rukken naar Diest, waar men het gros van het Nederlands leger verwacht. 's Anderendaags vertrekt Daine, houdt een klein uur rust in Hasselt, waar zijn troepen eindelijk hun proviand krijgen: een beetje jenever en één brood per acht man!

Vanuit Hasselt vertrekt dan de voorhoede van Daines leger: 10e bataljon tirailleurs, 2e bataljon van het 1e Jagers te voet, het 2e linie, een sectie artillerie en een eskadron van het 2e Jagers te paard. Zij krijgen opdracht alles aan te vallen wat ze ontmoeten. Een half uur later vertrokken het 10e en 11e linieregiment en de artillerie, terwijl de cavalerie aan de Demer bleef om de paarden te laten rusten. Kort na de middag hoort men de eerste kanonschoten vanuit de richting van Herkenrode. De slag is begonnen.

Het gevecht heeft plaats tussen de Demer en Herk-de-Stad in de vlakte die doorsneden wordt door de weg van Hasselt naar Diest via Kermt. Kroonprins Willem van Oranje had zijn troepen goed verdeeld:

- Het Algemeen Hoofdkwartier met prins Frederik was in Diest geplaatst. De 3e divisie met zijn 10 liniebataljons en de Schutterij, de 3 korpsen Jagers-Vrijwilligers (studenten van de universiteiten van Leiden, Groningen en Utrecht), de lichte cavalerie en de bereden artillerie en artillerie te paard bevonden zich in Kermt, Stevoort en in de bossen rond de abdij van Herkenrode.
- De 1e brigade vestigde zich rond Spalbeek, terwijl de 2e als steun diende langs de weg Diest-Kermt voorbij Berbroek. De divisie-artillerie stond achter Kermt en de dragonders met de lichte artillerie nabij Stevoort. In het midden stonden twee eskadrons lichte dragonders en een gedeelte van de infanterie opgesteld.
- De 1e divisie met zijn 10 bataljons grenadiers, elite-jagers, de Schutterij en de linietroepen, stonden achter de 3e divisie opgesteld en bezette Halen.
- De 2e brigade was verdeeld tussen Diest, Webbekom, Zichem en Scherpenheuvel en moest voorkomen dat een mogelijke aanval door het Scheldeleger via Aarschot en Lier zou gebeuren.
- De zware cavalerie bevond zich in Schulen, Donk en Herk-de-Stad. In de omgeving van Herk bevond zich ook nog artillerie.
- De 2e divisie van de hertog van Saksen-Weimar (10 liniebataljons, Schutterij, de Koninklijke Jagers en Jagers-Studenten, lansiers, artillerie) bevond zich op de linkeroever van de Gete en bezette Sint-Truiden. De bedoeling was duidelijk: een mogelijke verbinding van Daine met het Luikse en Leuven afsnijden. Daarnaast bevonden zich nog lansiers rond Alken.
Tenslotte patrouilleerde de 4e divisie links van de 3e.

In 't kort: tegenover een ingesloten Daine met zijn 9 bataljons, 11 eskadrons cavalerie en 4 batterijen, bevond zich een Nederlandse overmacht van 40 bataljons, 24 eskadrons cavalerie en 72 kanonnen. De verwachte verplettering van Daines troepen kwam er echter niet.

Daine, die nog altijd hoopte op een tussenkomst van het Scheldeleger, stuurde zijn 10e bataljon tirailleurs, het meest ervaren onderdeel, in de aanval en verdreef de Nederlanders uit de randen van het bos van Stevoort. Van zodra Nederlandse versterking langs beide zijden van de weg Rumst-Kermt oprukte, werd de strijd algemeen. De vier stukken Belgische artillerie, door Daine goed gecamoufleerd, verrichten wonderen en dreven de huzaren terug. Een Nederlandse tegenaanval werd door het 2e Jagers te paard afgeslagen.

Om 3 uur verscheen een compagnie Belgische Gidsen op het terrein en met het 10e linie werd het bos van Stevoort veroverd en de Nederlanders uit de abdij van Herkenrode verjaagd. Op dat ogenblik werd ook Kermt ingenomen. Terwijl de Nederlanders zich hergroepeerden, liet Daine - het was toen al 7u 's avonds - de artillerie de Nederlanders beschieten en een cavalerie-aanval uitvoeren, waarna hij de infanterie liet oprukken tegen de 3e divisie, die zich naar Herk terugtrok. Tegen 8u was de strijd gestreden en had Daine het huzarenstukje voltrokken. Terwijl de Nederlanders zich rond Diest en Herk hergroepeerden, werd Kermt in staat van verdediging gebracht.

De nederlaag van de Nederlanders is in de eerste plaats te wijten aan hun overmoed, maar ook aan het feit dat de 4e divisie en de divisie van de hertog van Saksen-Weimar niet tussenbeide kwamen. Anderzijds was er de begeestering die Daine over zijn troepen kon brengen. Voor de Belgische troepen was er geen terugweg: er diende tot het uiterste gevochten te worden en dat deden zij dan ook. De loop van de veldtocht had ook een andere wending kunnen nemen, indien het Scheldeleger niet afzijdig gebleven was.

De nacht na de slag verneemt Daine voor het eerst de aanwezigheid van de troepen van Saksen-Weimar in Sint-Truiden. Anderzijds weet hij ook dat 's anderendaags de Nederlanders opnieuw zullen aanvallen. De toestand was benard. De troepen waren vermoeid en uitgedund, want langs beide kanten waren vele slachtoffers gevallen. Daarenboven was er zo goed als geen bevoorrading. De militaire intendant in Hasselt had er zelfs niet aan gedacht verse broden te laten bakken. Voor Daine was er slechts één oplossing: terugtrekken ten einde zijn troepen niet nutteloos te laten afslachten. De terugtocht is Daine zwaar te staan gekomen. De Belgische overheid, zegezeker na het gevecht in Kermt, beschuldigde Daine van verraad. Pas tientallen jaren na de feiten, werd hij in ere hersteld.

In de dagen volgend op de slag van Kermt rukten de Nederlanders verder op en leek het einde van de Belgische revolutie in zicht. Op vraag van koning Leopold kwamen de Franse troepen vanaf 9 augustus België ter hulp en dwongen zij op 12 augustus Nederland tot een wapenstilstand. Op internationaal vlak was de Tiendaagse Veldtocht een catastrofe voor België. Het "Traktaat der XVIII artikelen" werd vervangen door het "Verdrag der XXIV artikelen": België moest een groter deel van de gemeenschappelijke schuld betalen en verloor het huidige Nederlands-Limburg en het Groot-Hertogdom Luxemburg.

De aquarel van von Geusau toont ons links de aanstormende Hollandse kurassiers, die gesteund worden door een stuk artillerie, terwijl rechts de Belgische grenadiers, die al een aantal doden en gekwetsten tellen, de stormloop afwachten. De artilleristen vooraan dragen een borstjas met het typische rood, de geëigende kleur van de artillerie. Dat rood vindt men heden ten dage nog terug op de uniformspiegels van de artilleristen.

De kurassiers-eenheden ontlenen hun naam aan het borstharnas (in het Frans: curasse) dat zij dragen. Als hoofddeksel gebruiken zij een typische helm. Deze cavalerietroepen zijn lichter bewapend dan de zware cavalerie, de dragonders. De kurassiers, zoals die in 1830 bestonden, waren een overblijfsel van de regimenten kurassiers die tijdens de Franse overheersing opgericht werden. In Nederland zullen zij in 1841 opgeheven worden. Ook in België werden na de onafhankelijkheid twee regimenten kurassiers met elk vier eskadrons opgericht. Vanaf 1863, na de legerreorganisatie, worden de kurassiers omgevormd tot het 3e en 4e regiment lansiers. De grenadiers verschenen voor het eerst in de militaire geschiedenis in de 17e eeuw. Het waren militairen die gekozen waren uit de grootste en sterkste soldaten. Hun belangrijkste opdracht was, vanuit de eerste linie, het werpen van granaten. Daaraan ontlenen zij ook hun naam en het embleem (ontploffende granaat) op hun mutsen. De beroemde berenmutsen van de grenadiers hebben een praktische oorsprong. Aanvankelijk waren zij van laken, versierd met een voorschild van berenhuid of van metaal. Het hoge, bijna rechtopstaand model, werd gekozen omdat de eerste grenadiers bij het werpen van granaten teveel last ondervonden van de in gebruik zijnde hoeden met brede randen. De mutsen worden ook steeds groter - wat een indrukwekkender uitzicht gaf - en leiden dan naar de berenmutsen, zoals we die nu kennen. Tijdens het bewind van Napoleon worden deze elitetroepen de fameuze garderegimenten.

In 1830 bestond er echter in het Belgische leger geen echt regiment grenadiers. Dat werd pas in de jaren na 1835 opgericht met de fusie van de elitetroepen en de "Voltigeurs", verkenners. De "grenadiers" vormden, zowel in het Schelde- als in het Maasleger het "régiment d'élite".

Een probleempje is wel dat von Geusau ons aanstormende kurassiers toont, maar volgens de bronnen waren dergelijke troepen niet aanwezig in Kermt. In feite gaat het om lichte dragonders. Zowel de kurassiers als de lichte dragonders als ook de karabiniers te paard droegen het Frans model van helm, met zijn typische pluim. Het verschil in uniform tussen de kurassiers en de lichte dragonders ligt in het dragen van het kuras door de eersten.

Vanwaar die vergissing? We mogen niet uit het oog verliezen dat von Geusau zijn aquarel vier jaar na de feiten maakte en dat hij vermoedelijk geen ooggetuige was. Uit verslagen, die spraken over lichte cavalerie, zal hij verkeerdelijk opgemaakt hebben dat het over kurassiers ging. Tenzij natuurlijk, hij het geheel wou opfleuren en heroïscher maken door het toevoegen van het harnas.

Recent toegevoegd

Auteur: Mieke Strauven Grauwzuster Gertrudis van Schaffelen kwam in 1626 aan in Hasselt, met als doel...

Prinsbisdom Luik, 1659

Gebrandschilderd glas. Hasselt, Het Stadsmus, inv. nrs. 2014.0370 tot en met 2014.0377.

Maria-Helena Hubrechts was de zus van E.H. Jozef Hubrechts . Ze overleed samen met hem in de nacht van...
Eerwaarde Heer Jozef Hubrechts was pastoor van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek. Hij overleed samen met zijn...
Emiel Baptist werd geboren in 1895 in Godsheide als zoon van dienstknecht Andreas (Zonhoven 1847-Hasselt...
Auteur: Marc Jacobs Zie tekstpagina voor de uitgebreide beschrijving. Louis Berten werd geboren op 30...
1795-1824 : Etienne-François de Stenbier 1825-1867 : Charles-Philippe de Cecil 1868-1869 : Conrardus...
1830-1836 : Vandenborn, Hubert 1836-1864 : Stas, Paul 1865-1877 : Berden, Guillaume 1878-1884 : de Grady...
1830-1861 Gaspard Vandereijcken (Schulen 1798-?), brouwer-eigenaar 1861-1866 Pierre Jean Adons (Stevoort...
In 2013 werd beslist om de stads- en OCMW-diensten samen te gaan huisvesten in een nieuw...